16 september, 2016

Braamsluiper

De braamsluiper is, zoals de naam al doet vermoeden, een vogel die vaak onopgemerkt blijft. Zo zingt de soort vooral de weken rond Koningsdag uitgebreid, en is hij de rest van het jaar bijzonder zwijgzaam. Erg bontgekleurd is de braamsluiper niet, maar slechts weinig vogelsoorten hebben zo'n witte keel. Dat maakt samen met de uitbundige zang de braamsluiper niet zo moeilijk te herkennen voor wie er een meent te zien in het struikgewas. Zingt een snelle, klepperende ratel, vaak voorafgegaan door een brabbelende zang met scherpe tonen. Meest gehoorde roep een korte tik, als twee steentjes die tegen elkaar aan worden geketst. Zingt vooral begin mei, wisselt vaak van zangpost. Zang wordt na paar weken snel minder. Geen zangvlucht. Broedt vanaf eind april, één of twee legsels per jaar van 3-7 eieren. Het mannetje bouwt één of meerdere 'haantjesnesten', een simpele bodem om vrouwtjes te verleiden. Dit kan later gebruikt worden om het nest op te bouwen, een diepe kom van grassen, wat door beide wordt gedaan. Na 11-12 dagen broeden, zitten de jongen nog 12-13 dagen in het nest, en na het uitvliegen worden ze nog 18-20 dagen gevoed door de ouders. Braamsluipers zijn het talrijkst in duingebieden met doornstruwelen en kleinschalig boerenland met veel heggen op kleigronden. Grote bosgebieden worden gemeden, in stedelijk gebied bewoont de soort (schaars) parken en tuinen. In de lage delen van het land wist de braamsluiper sinds ca. 1975 te profiteren van toegenomen beplanting in voorheen open gebied. Op de hoge gronden, daarentegen, ging broedgelegenheid verloren bij onder andere ruilverkavelingen. Het voedsel bestaat uit insecten, spinnen, duizendpoten e.d., ook kleine slakjes; in herfst ook bessen, maar minder vaak dan andere grasmussoorten. Als een van de buitenbeentjes trekken alle (Noord)West-Europese braamsluipers zuidoostelijk weg richting de Balkan, en vliegen via Israël en Egypte naar Oost-Afrika. Ze overwinteren met name in Tsjaad, Soedan, Ethiopië en het Arabisch schiereiland. Vanaf half juli trekken ze weg, met de piek eind augustus, begin september. De terugtrek komt al vroeg op gang (eind januari), maar de meesten gaan pas in maart, begin april. Mannetjes komen 5-10 dagen eerder aan in het broedgebied. Aankomst in Nederland vooral half april-half mei. Nachttrekker. Op ons volkstuincomplex Thurlede zie ik ze eigenlijk alleen maar in het najaar.









Geen opmerkingen: